Tegen alle verwachtingen in, een feminist

Tegen alle verwachtingen in, een feminist

Op 3 mei vond de Dag van de Empathie plaats in Pakhuis de Zwijger. Daar sprak ik onderstaande tekst uit.

In huize El Maroudi werd nauwelijks gesproken over de familiegeschiedenis. Zo nu en dan wanneer mijn vader werd overvallen door een herinnering, liet hij zich iets ontvallen. Of wanneer hij mij en mijn tweelingbroer een belangrijke les wilde leren, zoals ‘sparen is goed’. Dan kon hij een verhaal uit de kast trekken over bijvoorbeeld zijn eerste baan als loopjongen voor de Fransen in Rabat. Mijn vader is altijd een zwijgzame man geweest. Wanneer hij sprak waren het voornamelijk orders. Maar als hij dan eens een verhaal vertelde, kreeg hij al zijn kinderen stil.

Doordat er nauwelijks werd gesproken over onze familiegeschiedenis, verweven mijn tweelingbroer en ik als kinderen al de losse flarden van verhalen met een flinke dosis fantasie. Uiteindelijk resulteerde het in een spraakmakende familiegeschiedenis waarin mijn ouders de meest westerse Marokkanen in Noord-Afrika waren. Mijn vader was eigenaar van een jazzcafé, rookte en dronk erop los - dé ultieme symbolen van westerse vrijheid. Zijn moeder was een feministe van het eerste uur. Mijn achternaam betekent politieagente, omdat mijn oma de allereerste politieagente in Marokko was. Kun je het geloven? Feit en fictie lopen dwars door elkaar. We bouwden onze verhalen op de bouwstenen die mijn vader ons zo nu en dan aanreikte in zijn zeldzame anekdotes.

De verhalen die we verzonnen zorgden er uiteindelijk voor dat we meer aansluiting konden vinden bij de westerse wereld. Al was het maar in onze fantasie. Maar iedere keer dat ik de verhalen vertelde aan vrienden of vriendinnen, doemde er een stemmetje op in mijn achterhoofd dat vroeg: ‘Weet je dat wel zeker?’ En zo ging ik ook twijfelen aan wie ìk ben. Wie je bent, je identiteit, wordt immers voor een groot deel ook gevormd door je geschiedenis.  

Uiteindelijk kwam ik erachter dat mijn oma inderdaad ‘politieagente’ werd genoemd, omdat ze een alleenstaande weduwe was die streng en rechtvaardig was en – tegen de destijds heersende normen – weigerde te hertrouwen nadat haar man was overleden. Ze voedde mijn vader zelfstandig op. Niemand in het dorp durfde haar tegen te spreken, zoals ook niemand in het dorp een agent zou durven tegen te spreken. Maar een échte agente, dat was ze allerminst.

Mijn vader erfde de strengheid van mijn oma. Nooit heb ik hem zien huilen. Ik kon mijn vader zelfs nooit betrappen op ogen die glimmen van uit de traanzakjes opgewekte vocht. Mijn vader was een sterke man die, naast een donderbui hier en daar, nauwelijks emotie toonde. Alleen wanneer één van zijn kinderen een topprestatie leverde. Dan kon hij écht glimmen van trots.

 Bijvoorbeeld toen ik als jong meisje uit een groep van vijftig werd gekozen om voortaan met de turnselectie mee te turnen. Of toen mijn oudere zus haar doctoraalbul haalde aan de Technische Universiteit in Delft. Dat waren mooie momenten waarop mijn vader mijn moeder apetrots aankeek en mijn ouders elkaar een knikje gunden. Alsof ze daarmee tegen elkaar zeiden: ‘Zie je wel, we hebben de juiste keuze gemaakt.’

Rond 1972 kwam mijn vader als arbeidsmigrant naar Nederland om in de fabrieken te werken. Van vrienden had hij gehoord dat in ‘Hollanda’ goed geld te verdienen was. Het is het welbekende verhaal van de Marokkaanse arbeidsmigrant: het idee was een paar jaar hard te werken, geld opzij te leggen en daarna terug te keren naar Marokko om daar een eigen onderneming te starten.  

Zogezegd, zo gedaan. Mijn moeder bleef in Marokko achter met twee kinderen – twee jongens, een aantal jaar later zou in Marokko nog een jongen en nog een meisje geboren worden - terwijl mijn vader zijn spullen pakte en naar een pension in Oud-Beijerland verhuisde.

Helaas pakte Het Grote Plan anders uit. Het geld stroomde niet binnen, maar druppelde binnen. Mijn moeder wilde niet langer de kinderen in haar eentje opvoeden en eiste dat mijn vader haar zou overhalen naar Nederland, zodat de kinderen in de buurt van hun vader konden opgroeien. In 1976 namen ze eindelijk de boot naar Europa. Mijn oudste zus, destijds de jongste dochter, was drie. Gedurende de hele overtocht hing ze al kotsend boven een emmer. 

Ik heb vaak geprobeerd me in te beelden hoe het zou zijn om naar een compleet vreemd land te verhuizen, waar je noch de gebruiken noch de taal kent. Louter om economische redenen je familie, vrienden en dierbaren achter je te moeten laten. De warmte om te ruilen voor de regenachtige vlaktes van Nederland, waar je bij de kruidenier de levensmiddelen niet herkent. Bij de bakker moet je het brood aanwijzen dat je wil hebben, om vervolgens je portemonnee te overhandigen omdat je geen idee hebt hoeveel geld het brood kost. Om nagestaard te worden in je woonwijk omdat je er ‘anders’ uitziet. Kinderen die spontaan in huilen uitbarsten wanneer ze je zien, omdat ze bang voor je zijn, of ouderen die met gebarentaal vragen of ze je zwarte krullende haarlokken mogen aanraken. Ik heb een levendige fantasie, maar al probeer ik het me nog zo hard in te beelden, ik kan het me niet voorstellen. Simpelweg omdat ik het nog nooit heb hoeven meemaken.

Ik ben de jongste uit een gezin van oorspronkelijk acht kinderen, waarvan er twee niet meer in deze wereld zijn. Ook mijn vader is inmiddels heengegaan. Als jongeling in zo’n groot gezin ontgaat een hoop dingen je. Volgens de onderlinge dynamiek en de onofficiële huiselijke regels laat de jongste maar met rust. Daar ben ik mijn ouders, mijn broers en mijn zussen erkentelijk voor. Dankzij hen heb ik een vrij zorgeloze jeugd gehad, gevuld met sport, leuke activiteiten en een oneindige stroom boeken. Dat we eigenlijk opgroeiden in armoede, in een achterstandswijk op Rotterdam Zuid, deed daar niets aan af. Huiselijk geweld, criminaliteit – groot en klein –, gezinnen die rond moesten komen van een inkomen ver onder het minimum – in de wijk waarin ik opgroeide gebeurde het allemaal. Maar wat beklijft zijn niet de problemen, maar de wijze waarop de buurt elkaar opving. Wat beklijft is dat de deur altijd openstond voor iedereen. Met weemoed denk ik terug aan meneer en mevrouw Jansen van wie wij als kind altijd de speelkaarten mochten lenen. En tante An die mijn moeder wegwijs maakte in Nederland.

Ik moet hier vaak aan denken wanneer ik lees over probleemwijken. Of zoals men ze tegenwoordig graag noemt: krachtwijken. Maar ook wanneer ik lees over de vermeende problemen met vluchtelingen. De afkeer en soms zelfs regelrechte haat voor de ander is verbazingwekkend en mede mogelijk omdat er in het asielbeleid over vluchtelingen gesproken wordt in termen van ‘stromen’ als ware zij een natuurlijk fenomeen, dat ons ‘overspoelt’. Door vluchtelingen te dehumaniseren en niet langer als mens te zien, wordt haat aangewakkerd. Daardoor is het mogelijk dat men niet alleen de deuren maar ook de harten sluit voor oorlogsslachtoffers, voor politieke vluchtelingen, voor mensen die opzoek zijn naar een beter leven: voor zichzelf, voor hun geliefden, voor hun kinderen. Het is het gevolg van politiek opportunisme in combinatie met het groeiende individualisme waarbij persoonlijke groei en persoonlijke winst centraal staat. Ook – of zelfs – wanneer dat ten koste gaat van de ander.  

Mijn moeder kreeg vroeger – net als de Hollandse moeders – huisgeld voor de boodschappen. Ze mocht niet naar school, zorgde in haar eentje voor de kinderen, terwijl mijn vader op zijn werk of bij zijn vrienden was. Op tante An na had ze nauwelijks sociale contacten. Wanneer ik mijn moeder vraag waarom ze nooit voor zichzelf heeft gekozen, relativeert ze het door te stellen dat dit nu eenmaal het leven was en zegt ze: ‘Ik wist niet beter.’ Inmiddels weet ze wel beter en oreert ze ten overstaan van haar zussen in Marokko over het recht voor vrouwen om gelijkwaardig behandeld te worden. Bijvoorbeeld toen vorig jaar een vrouw van in de 60 op de Marokkaanse radio vertelde opzoek te zijn naar een nieuwe echtgenoot, nu haar man was overleden. Het hele land sprak er schande – hshouma – van. Een vrouw van in de 60 die wil hertrouwen? Die is opzoek naar seks! Hoe durft ze! Twintig jaar geleden was die mening mijn moeder zeker ook ten deel gevallen, maar nu wijst ze haar omgeving er fijntjes op dat als de rollen omgedraaid waren, geen haan had gekraaid naar de oproep. Waarom zouden vrouwen – ook vrouwen van in de 60 geen seks mogen hebben? En daar ook van mogen genieten?

Ik ben niet alleen trots op mijn ouders, maar hen ook dankbaar dat zij destijds de beslissing hebben genomen om uit Marokko weg te gaan, en ons hier op te voeden. Dankzij die keuze ben ik geworden wie ik ben. Een journalist, een programmamaker, een Rotterdammer met spreekwoordelijke ballen. Maar boven alles: dankzij mijn ouders’ keuze om naar Nederland te komen is mijn moeder tegen alle verwachtingen in geworden wie zij is. Tegen alle verwachtingen in, een feminist.

 Tegen mijn lieve papa had ik alleen nog willen zeggen: zie je wel, jullie hebben de juiste keuze gemaakt.

Doe eens gezonder tijdens de Ramadan: ‘Na een maand suiker en bladerdeeg kun je jezelf wel opvegen’

Doe eens gezonder tijdens de Ramadan: ‘Na een maand suiker en bladerdeeg kun je jezelf wel opvegen’

Simone Weimans: 'Mensen hebben moeite met het accepteren van minderheden'

Simone Weimans: 'Mensen hebben moeite met het accepteren van minderheden'